Category Archives: Cultuur

Barfly van Charles Bukowski

Charles Bukowski (Foto: Wikipedia)

Charles Bukowski (Foto: Wikipedia)

Charles Bukowski (Duitsland, 1920 – Los Angeles, 1994) groeide op in Los Angeles. In zijn werk liggen inhoud en vorm op één lijn; vaak schokkende gebeurtenissen in evenzo schokkend taalgebruik. Dat geldt voor de omstreden verhalenbundel Verhalen van alledaagse waanzin en eveneens voor zijn bundel Warmwatermuziek.

Het verhaal voor de film Barfly is geschreven door Bukowski zelf. De hoofdpersoon, Henry Chinaski, stamt uit zijn roman Duvelstoejager (oorspr. Factotum). Met Barfly waagde Bukowski zich voor het eerst in zijn leven aan het schrijven van een film. Hierbij wijkt hij niet af van zijn thematiek. Zijn verhalen spelen zich dikwijls af aan de zogenaamde zelfkant van de maatschappij waar het straatbeeld wordt bepaald door hoeren, pooiers, armoedzaaiers, misdadigers en mislukte, aan de drank verslaafde schrijvers. Ook Barfly speelt zich in een dergelijk milieu af.

Protagonist Henry Chinaski wordt op fenomenale wijze vertolkt door de Amerikaanse acteur Micky Rourke. Chinaski is geen doorsnee zuiplap. Hij is weliswaar regelmatig te vinden in zijn stamkroeg in Los Angeles, maar er zijn weinig drinkers die gedichten schrijven en filosofische bespiegelingen spuien.

In het begin van de film zien we Henry Chinaski in gevecht met Eddie, de macho barman, gespeeld door Frank Stallone (inderdaad de broer van). Het is een ‘eerlijk gevecht’ waarin alleen de vuisten worden gebruikt. Verderop in de film blijkt dat Chinaski regelmatig met Eddie vecht. De vaste klanten van deze kroeg sluiten telkens weddenschappen op de afloop af.

Na de knokpartij zien we dat een geheimzinnige man op het kleine, rommelige kamertje van Henry Chinaski rondloopt. Dit heerschap, een ingehuurde detective van uitgeefster Tully Sorenson, neemt foto’s van Henry’s aantekeningen. Na die scene ontmoet Henry een vrouw die zijn levensvisie deelt. Deze vrouw heet Wanda en wordt schitterend neergezet door niemand minder dan Faye Dunaway. Wanda is tussen de veertig en vijftig jaar oud en drinkt nog meer dan Henry, die echter drinkt, omdat er volgens hem verder niets te doen is. Wanda drinkt, omdat drinken het enige is wat er voor haar te doen is. Ooit was ze mooi om te zien maar haar gezicht heeft door het drinken duidelijk zijn sporen achtergelaten. Ze draagt ouderwetse kleren die al jaren uit de mode zijn. Wanda probeert zich stijlvol voort te bewegen, ook als ze behoorlijk dronken is.

De ontmoeting met Wanda is bijna letterlijk overgenomen uit de roman Duvelstoejager (Factotum). Wilbur, de man die Wanda van veel geld voor drank voorziet, wordt in de film alleen even genoemd. In het boek komt Wilbur echter uitgebreid aan bod. Bukowski gebruikte dus slechts delen uit zijn boeken bij het schrijven van deze film.

In Barfly komt Henry Chinaski in contact met de uitgeefster Tully Sorenson, een aantrekkelijke vrouw van achter in de twintig, geleerd, netjes, warm, nerveus, verdrietig en aardig tegelijk. Ze heeft de neiging meer vreugde uit te stralen dan ze werkelijk heeft. Tully is ongelukkig in relaties maar blijft volharden in het zoeken naar een ander. Via de detective die eerder in Henry’s kamer speurde komt ze met Henry Chinaski in contact. Haar tijdschrift wil graag enkele verhalen van hem uitgeven. Ze overhandigt hem persoonlijk een cheque. Als Chinaski bij haar op bezoek is, ze heeft hem meegenomen naar haar grote villa, komt ze wederom bedrogen uit.

“You know, in the guesthouse you could write in peace”, vertelt ze. Nobody who can write worth a damn ever writes in peace”, luidt het antwoord van Henry Chinaski. It’s a cage with golden bars.”

Uiteindelijk belandt Henry Chinaski weer bij Wanda en in zijn stamkroeg. Immers, als hij bij Tully Sorenson zou intrekken, dan zou hij zijn leven als kroegloper moeten opgeven, waardoor zijn bron van inspiratie snel opdroogt. Aan het eind van de film loopt hij Tully nog één keer tegen het lijf. Hij zit samen met Wanda in zijn stamcafé. De twee drinken er lekker op los van het geld dat Chinaski van de uitgeefster heeft gekregen. Tully Sorensen betreedt de kroeg en Wanda herkent het luchtje dat ze eerder bij Henry rook. Ze weet dat dit de vrouw is die met Henry samen was. De twee vrouwen vliegen elkaar vervolgens in de haren. Uiteindelijk verlaat Tully Sorenson de kroeg. Ze heeft dan toch door dat het nooit iets kan worden tussen haar en de schrijver Henry Chinaski.

Barfly is een echt Bukowski film. De schrijver was dan ook nauw betrokken bij de opnamen. Kortom, wie Bukowski’s verhalen graag leest zal zich bij deze film kostelijk vermaken.

Bekijk de complete film op Vimeo

Mathilde Santing in Berlijn-Kreuzberg

Foto: Wikipedia (van Irma van Rijswijk)

Foto: Wikipedia (van Irma van Rijswijk)

Als altijd lees ik de folders en tijdschriften die op het tafeltje liggen van de ‘gezonde snackbar‘ hier om de hoek. Terwijl ik wat Vlaamse frieten aan een vorkje laat kennismaken met de mayonaise valt mijn oog op de naam “Mathilde Santing”. De frieten hebben zich inmiddels aan de mayonaise gehecht en verdwijnen in mijn mond. “Mathilde Santing”, denk ik en zie een vrouw met kort wit haar, een soort Kuifje en dan is ze weer weg. Dat heet “ik heb een vaag beeld van wie Mathilde Santing is”.

Ik kijk om me heen of er iemand is aan wie ik mijn ontdekking kan vertellen, de ontdekking dat een Nederlandse zangeres de stad bezoekt. In dit kleine zaakje zitten een jongen en meisje tegenover elkaar aan de barkruktafel. Hun handen liggen op het midden van het tafelblad, in elkaar. Zij lacht hem lief aan en hij vertelt over zijn grote media-plannen. Vrijwel iedereen in Berlijn doet namelijk “iets met media”. Ik voel in mijn jaszak en weet dan dat mijn telefoon thuis ligt. Het bericht moet getwitterd worden, er zit niks anders op. Op weg naar huis denk ik alvast in 140 tekens. Als ik de deur van mijn woning open zet ik als eerste de computer aan. Een nieuwe gewoonte. Vroeger kwam het lichtknopje op de eerste plaats. En dan tweet ik het evenement weg, de wijde Twitter-wereld in.

Op de dag van het evenement zelf, dat was gisteren, twitter ik nog een keer dat het concert vanavond plaatsvindt. Daarna googel ik Mathilde Santing, want het beeld blijft vaag. Ik vind een vrouw met blonde haren die lief in de camera lacht maar dat beeld lijkt niet op mijn vage beeld met het korte haar. Een klik op ‘Google afbeeldingen’ en mijn beeldscherm is opeens gevuld met tientallen Mathilde Santings. Allemaal totaal verschillende gezichten van dezelfde persoon. Op haar website kom ik de namen van Tom Waits en Fay Lovsky tegen. Interessante artiesten met mooie songs. En dan lees ik in mijn mailbox dat Mathilde Santing mij als gevolg van mijn tweet volgt. Zal ik het concert dan toch maar bezoeken, vraag ik mezelf af.

Ik begin met wat achterstallig vertaalwerk en besluit het concert alleen te bezoeken als ik mijn werk af heb. Ik zoek een reden om eventueel niet te gaan, want ik wil me nog niet vastleggen. Ook als het regent ga ik niet, bedenk ik vervolgens en kijk naar de blauwe hemel en de stralende zon aan de andere kant van het raam. Tijdens mijn looppauze, die ik altijd inlas tijdens het werk, wandel ik naar het theater waar ik vanavond misschien binnenstap en bekijk naast de toegangsdeur de affiches in de vitrine.

Een theatermedewerkster vraagt of ze er even bij mag. Ze maakt de glazen ruit met een sleutelomdraai aan de onderkant los, zodat het geheel naar voren toe openklapt. Ik mompel iets over een zangeres uit Nederland, dat ik daarom hier sta en dat ik weet dat de kassa om 17:00 uur opengaat. Maar als ik wil, dan kan ik nu al een ticket kopen, vertelt ze met een Frans accent. Ik twijfel. Alles wijst erop dat ik naar dat concert moet. Ik wil me niet vastleggen. De vertaling is nog niet af, het kan nog gaan regenen en bovendien moet ik mijn dagelijks budget scherp bewaken. “Misschien later“, zeg ik en bedank haar voor het aanbod.

Terug in mijn woning vertaal ik in een hoog tempo. Zo nu en dan klik ik tussendoor op de website van het theater. 22 en 30 euro, dat zijn wel normale prijzen, maar wie in Berlijn woont is al snel erg verwend met erg lage prijzen voor erg veel zaken. Misschien dat een andere website de tickets goedkoper aanbiedt? En daar lees ik opeens € 16,00 in plaats van € 30,00! De kans op een spontaan concertbezoek stijgt. Eén nadeel: de tickets kun je alleen bij Zoologischer Garten ophalen, vóór 18:00 uur. Het is half vijf en ik twijfel. Dan, alsof ik er geen zeggenschap meer over heb, ben ik al op weg naar de U-Bahn. Ik herinner me onderweg dat ik een kwartier eerder online een ticket kocht en de uitgeprinte bevestiging in mijn jaszak stopte. Mijn hand checkt mijn binnenzak en haalt het bewijs eruit.

Metro in, metro uit. Om half zes ben ik weer thuis, nu in het bezit van een toegangskaart. Er is geen weg meer terug. De vertaling is af en tegen half acht loop ik richting het BKA-theater aan Mehringdamm. Vanuit de verte lijkt het erop alsof de mensen al dringen om binnen te komen, maar dat is schijn. Het theater staat naast Curry 36 en Mustafa’s Dönerbude, twee eetgelegenheden die volgens mij wereldwijd in alle reisgidsen over Berlijn zijn opgenomen. Ik baan me een weg door de etende en hongerige menigte en loop het zijstraatje in, op weg naar het theater. Ik sta voor de gesloten deur van een bank. Dan loop ik terug en zie nu pas dat er buiten een groot bord hangt met de naam van het theater erop en een schuine pijl naar boven, vergezeld met de tekst „5e verdieping“.

De lift vertrouw ik niet en dus volgt er een sportieve trappenloop. Bij de toegangsdeur staat het meisje dat ik eerder vandaag ontmoette. Ze herkent mij en neemt me mee het zaaltje in.
“Hier zit u vanavond”, zegt ze.
Ik bedank haar en loop terug naar de bar, waar twee jongens druk bezig zijn met het mixen van cocktails. Daarnaast noemen ze telkens vijf soorten wijn op als iemand om een glas wijn vraagt. “Ja, ik kom zo bij u”, vertelt de ene jongen, die ziet dat ik hier niet zo maar aan de bar zit, maar ook iets wil drinken. Ik hou het eenvoudig op bier van het vat en onthoud de naam “Merlot” als drankje dat ik tijdens het concert wil drinken. Het zaaltje is immers ingedeeld met salontafeltjes en telkens vijf stoelen eromheen.

Licht uit, spot aan. Pianist Marcus Olgers betreedt het podium, gevolgd door muzikant Ward Veenstra, die o.a. bijzondere samples ten gehore brengt, omdat het bewerkte opnames zijn van originele pianoklanken. En dan verschijnt Mathilde Santing op het podium. Ik zit op een paar meter afstand. Alle Google -afbeeldingen schieten door mijn hoofd, niet eentje past. Ze schijnt er altijd anders uit te zien. Gekleed in een halflange zwarte rok, zwarte puntlaarsjes en een donkere blouse met een lage, ronde hals zet ze het eerste nummer in. Daarna groet ze het publiek en vertelt dat het lang geleden was dat ze voor de laatste keer in Berlijn optrad.

Vervolgens legt ze uit hoe haar nieuwe cd is ontstaan, namelijk in het gezelschap van de musici tijdens een lange zomer met de nodige alcoholische versnaperingen. Haar carrière als zangeres beslaat ruim 30 jaar en nu is het eindelijk zo ver dat Mathilde Santing zelf nummers heeft geschreven. “Het is een nieuwe weg die ik ben ingeslagen, maar ik ben er nog lang niet”, zegt ze in woorden van gelijke strekking. Haar stem en de liedjes doen me vooral denken aan songs van Barbra Streisand en soms lijkt Billy Holiday even op te duiken. Mathilde Santing legt vóór de songs uit hoe deze zijn ontstaan of om welk onderwerp het gaat. In één song gaat het bijvoorbeeld over de schaduwkanten van mensen, die we vaak zelf niet willen zien en ze daarom in gezelschap goed verborgen houden.

Een ander lied,  ‘did I just catch you’, gaat over een relatie die theoretisch nog bestaat maar duidelijk niet meer levensvatbaar blijkt te zijn. En in ‘call it by its name’ gaat het, zoals de titel al belooft, over het geen blad voor de mond nemen, zeggen waar het op staat. Bij de introductie van dat nummer noemt ze Berlijn als voorbeeld. De Duitse hoofdstad noemt ze ook als ze spreekt over de beroerde toestanden in Nederland, waar de commercie korte metten maakt met alles wat maar naar cultuur ruikt. “De eerste Nederlandse creatieve mensen vluchten het land al uit, onder andere naar Berlijn”, vertelt ze met een lach maar de serieuze boodschap is duidelijk; in Nederland ontstaat een onhoudbaar klimaat voor mensen die zich op creatieve wijze willen ontwikkelen. De eerste ‘asielzoekers’ zijn inderdaad al op zoek naar steden in het buitenland, waaronder Berlijn.

Wat kan ik schrijven over de muziek? Een zuivere stem, prachtig pianospel en indrukwekkende teksten zorgen voor een heerlijke avond. Als toegift brengt ze nog twee oudere nummers ten gehore. Ze neemt zelf achter de piano plaats en zingt een lied dat oorspronkelijk van Fay Lovsky was. De titel is mij helaas ontschoten. De tweede toegift is een beroemd lied dat zowel Frank Sinatra alsook Barbra Streisand zong. De goed gehumeurde zangeres legt uit dat het gaat over een situatie in een circus, als er iets dramatisch verkeerd gaat. Op dat moment wordt er geroepen “send in the clowns”, de titel van de tweede toegift.

Met die nummers sluit ze een intiem concert in het gezellige zaaltje op de vijfde verdieping in Berlijn—Kreuzberg af. Het was een heerlijk maar vooral ook eerlijk optreden. Nog steeds weet ik niet wie Mathilde Santing precies is. Ze is niet in te delen, niet deelbaar. Het ene moment is ze kwetsbaar, het andere moment daadkrachtig, lief, boos, strijdbaar, stil. Zoveel noten, zoveel gevoelens. Een zangeres die echt is, haar leven net zo onvoorspelbaar leeft als het leven zelf is en daarbij haar ervaringen in een prachtig stemgeluid met de toehoorders deelt.

“Half Moon Whole Truths & Heartbreaks” heet de nieuwste cd van Mathilde Santing met alleen eigen liedjes. Fragmenten van deze bijzondere cd in een limited edition (geheime tip!) zijn te beluisteren op de website van Mathilde Santing.

Salon van de angst, de voorbereiding

Agnès Geoffray, Night 3, 2005 (Fotografie aus der Serie: Nights, 2005-2007), © Agnès Geoffray, Courtesy Agnès Geoffray

Agnès Geoffray, Night 3, 2005 (Fotografie aus der Serie: Nights, 2005-2007), © Agnès Geoffray, Courtesy Agnès Geoffray

Afgelopen donderdag opende in de Kunsthalle Wien de expositie Salon der Angst. Deze titel behoeft geen vertaling. Het thema is duidelijk. Eind september ben ik toevallig een paar dagen in Wenen. Een bezoekje aan de expositie staat al in mijn agenda. Onbevangen wil ik mij dan langs de kunstwerken bewegen om vervolgens in een echt Weens koffiehuis mijn eerste indrukken op papier te zetten. De Kunsthalle Wien is fris gerenoveerd. Salon der Angst is de eerste expositie na de renovatie. Bovendien is het de eerste tentoonstelling van museumdirecteur Nicolaus Schafhausen, die hier sinds oktober 2012 de scepter zwaait. Voorheen was hij directeur van kunstcentrum Witte de With. Allemaal leuk en aardig maar het zegt natuurlijk nog niets over de expositie.

In mijn beoogde artikel wil ik dat het eerste woord mijn eerste stap in het museum beschrijft en het laatste woord mijn stap richting de garderobe. Ik bied de lezer mijn schoenen aan, die ik op de dag van mijn bezoek zal dragen. Wat dit oplevert, daar kan nog niets zinnigs over zeggen. Wel kan ik alvast voorbeschouwen door te lezen wat enkele Weense dagbladen na de officiële opening van de expositie schreven. Dagblad Der Standard gaat eerst in op de titel, die volgens de redacteur geassocieerd kan worden met Kirche der Angst van de in 2010 gestorven kunstenaar Christoph Schlingensief. Hij schrijft dat Kirche der Angst, dat in 2008 in Duisburg als stuk werd opgevoerd en in 2011 in Venetië als installatie, precies het tegenovergestelde beoogde als Salon der Angs”. Bij Schlingensief ging het vooral om subjectivisme, in Wenen vooral om objectivering. Na de inleiding betreedt de redacteur de expositieruimte. In zijn ogen is het een magische belevenis. ‘Maar wie hier met hetzelfde angstgevoel als bij een spookhuis binnenloopt, komt vooralsnog bedrogen uit,’ schrijft hij. Vooralsnog, want bij de kunstenaar Thomas Hirschhorn sta je volgens hem opeens oog in oog met zijn serie “Collage-Truth”, waarin wulpse poses van mooie reclamemensen met door oorlogen vervormende lijken worden versmolten. Of met de video “Pellojo” (huid) van het kunstenaarscollectief Los Carpinteros, waarin een paar bij het geslachtsverkeer te zien is en waarbij een rap verouderingsproces in beeld wordt gebracht. Angst provoceert ook ironie, lees ik vervolgens.

Volgens Der Standard levert de kunstenaar Cameron Jamie hierbij het voorbeeld met zijn fotowolk waarin ‘voor Halloween geschikte’ Amerikaanse voortuinen zijn te zien en waarop een grafsteen ‘R.I.P. Disco, the dance that never had a chance‘ staat geschreven. Als tweede voorbeeld voert hij één van de twee Nederlandse deelnemers op. “’f in de op De Stijl gestylde kartonnen doos van Erik van Lieshout met video’s, die het geklaag en gejammer van een door een acteur gespeelde kunstenaar in zijn midlife-crisis ‘documenteren’. De werken van de Belgische kunstschilder James Ensor (1860 – 1949) worden genoemd om aan te geven dat de expositie modern en ouder werk in huis heeft om zo de verschillen van angstbeleving vanuit een tijdhistorisch en cultureel perspectief te laten zien. Der Standard sluit af met de mededeling dat de expositie niet didactisch is opgezet maar uitnodigt tot zelfstandige creativiteit bij het kijken.

Ter vergelijking lees ik ook het bericht in de Wiener Zeitung. Ook hier eerst wat feitjes, bijvoorbeeld dat de renovatie drie maanden duurde en het museum nu via het voormalige winkelgedeelte toegankelijk is. De redactrice sluit haar inleidende woorden af met haar verwondering over het gerucht dat enkele belangrijke kunstwerken in bruikleen vanwege de hoge kosten niet in de Salon der Angst geëxposeerd konden worden. Tussen de regels door lees ik dat de renovatiekosten hoger en belangrijker zijn dan de kosten voor een belangrijk kunstwerk. Dan gaat ook zij op weg naar de expositie. ‘Minimalistische informatie over het thema angst’ luidt het eerste tussenkopje. ‘Eigenlijk is de angst al het thema van de 20e eeuw, van Edvard Munch’s schilderij De schreeuw tot Sigmund Freud, Søren Kierkegaard en de Weense School van de klinische psychologie tot Hubert Rohracher.’

De schrijfster van het artikel is duidelijk ontevreden als ze schrijft dat ook de informatie over de expositie minimalistisch is. Ze ergert zich er bovendien aan dat het informatieboekje over de 44 werken van 30 mannelijke en 14 vrouwelijke kunstenaars uit 15 landen pas na afloop van een symposium van Julia Kristeva verkrijgbaar is. Waarom ze de lezer met dit ‘probleem’ opzadelt is mij een raadsel. Vervolgens schrijft ze over de adelaar, het symbool van de nieuwe kunsthal, die in haar ogen geen persoonlijke gevoelens wil prijsgeven. Bij mij ontstaat meer en meer een beeld van een teleurgestelde redactrice in plaats van een beeld van de expositie. Maar ik lees verder. In de laatste alinea komen een Vlaamse en een Nederlandse kunstenaar aan bod, echter alleen om de bedenkingen van de recensente te illustreren. De aanwezigheid van de werken van de in Antwerpen geboren barokschilder Ferdinand van Kessel (1648 – 1696) toont volgens haar aan hoe hulpeloos en ongegrond de brug naar de nieuwe tijd tot aan het kunsthistorische museum (museum in Wenen) wordt geslagen. Ze vraagt zich af waarom de westerse superioriteitshouding angst zou moeten inboezemen. De gecomprimeerde weergave van de werelddelen was volgens haar vooral als exotische attractie bedoeld, waar niemand bang voor was maar waar iedereen juist reikhalzend naar uitkeek. Tot slot, in de allerlaatste zin, komt de geluidsinstallatie met wilde dieren van Willem de Rooij aan de orde, die door de Wiener Zeitung als een zeer willekeurige rand op het gebied van kinderangsten wordt bestempeld.

Niet genoemd in de Weense dagbladen zijn de namen van de Belgische deelnemende kunstenaars Nel Aerts, Nicolas Kozakis en Raoul Vaneigem. Daarmee heb ik in dit stuk in ieder geval alle Belgische en Nederlandse deelnemers weergegeven. De bijdrage in de Wiener Zeitung was in mijn ogen niet voor een breed publiek geschreven. Dat is natuurlijk een keuze van de krant of van de redactrice. Zelf probeer ik wel altijd voor een breed publiek te schrijven. Ik heb het voordeel dat ik niet hoef te bewijzen dat ik een wetenschappelijke achtergrond heb, omdat mijn wortels buiten de wetenschappelijke wereld liggen. Dat betekent niet dat ik geen teksten van wetenschappers lees. Sterker nog, ik lees graag de visie van wetenschappers op vraagstukken die mij interesseren. Een blad dat op hoog niveau voor een breed publiek over bijvoorbeeld hedendaagse Duitstalige literatuur schrijft is VOLLTEXT. Ik vind dat een nobel streven. Als abonnee op deze literaire krant kan ik zeggen dat het de redactie tot nu toe altijd is gelukt om in iedere uitgave dat doel te bereiken. In Wenen zal ik daarom niet alleen de ‘Salon van de angst’ bezoeken, ik zal ook de uitgever van VOLLTEXT interviewen. Een verslag daarvan volgt later, in druk, in België. Bekijk hier 71 foto’s van de opening van de expositie “Salon der Angst”

« Oudere berichten Recent Entries »