Category Archives: Varia

75 jaar Urs Widmer

Urs Widmer (foto: Wikipedia)

Urs Widmer (foto: Wikipedia)

Vandaag is de Zwitserse schrijver Urs Widmer 75 jaar geworden. Hij behoort tot de grote schrijvers binnen de Duitstalige literatuur. Binnenkort verschijnt er een autobiografie van zijn hand.

De Duitse krant “die Welt” besteedt vandaag een groot artikel aan de auteur, van wie dit jaar de dikke bundel verzamelde verhalen “Gesammelten Erzählungen“ verscheen.

In zijn op handen zijnde autobiografie vertelt Widmer over de eerste 30 jaar van zijn leven, de tijd tussen 1938 en 1968, waarin volgens hem weinig sprake was van literaire activiteiten. Destijds woonde hij afwisselend in Montpellier en Parijs en had hij altijd een typemachine bij zich. “Maar ik kan me niet herinneren dat ik ooit wat geschreven heb”, vertelt hij nu. In 1967 schreef hij dan zijn eerste werkje “Alois”.

De schrijver groeide op in een wereld vol literatuur. Zijn vader was de literair vertaler Walter Widmer, een echte boekenman, die volgens zijn zoon met twee voorwerpen verbonden was als ware het lichaamsdelen: zijn sigaretten en zijn typemachine. “Mijn vader rookte zeventien uur per dag en typte zeventien uur per dag. Het eerste geluid dat ik als baby hoorde, dat weet ik heel zeker, is het geluid van het typen van mijn vader in de kamer naast mij.”

Zijn romans stammen allemaal uit zijn eigen leven. Nu verschijnt er dus opeens een autobiografie. Volgens Widmer is dat het fatale gevolg van wat hij tot nu toe heeft gedaan. “Nu rest mij alleen nog om iets te maken met reële personen met hun reële namen, als laatste boek, dat is het tragische. Er heerst nu zo’n schrijfgevoel alsof er daarna geen boek meer komt. Maar natuurlijk hoop ik stiekem dat ik hiermee ook een muur doorbreek en met de grond gelijk maak. Daarna kan ik vrij van zorgen een nieuw gebied betreden. Dat is het hoofdstuk biografie afgesloten. Misschien schrijf ik dan wel, ik heb geen idee, ik improviseer nu gewoon even, “1003 nachten in India”.

Het gesprek gaat over leeftijd en ouder worden. De interviewer vraagt waarom er geen vervolg komt op zijn biografie vanaf 1968. “Nee, dan geraak je in een moeilijk parket. Dan zou op het eind zelfs u er nog in voor komen. Hoe dichter je bij het heden komt, des te presenter, levendiger, kwetsbaarder worden de mensen.  Zo’n verhaal heeft alleen zin als je geen blad voor de mond neemt.”

In het artikel gaat het ook over zijn vaak pessimistische toon. “Ik heb mijn leven lang pessimisme als basis gehad. In ben catastrofaal maar ik ben ook altijd in staat geweest om te splitsen. In mijn dagelijks leven was plaats voor veel optimisme en plezier. Beter gezegd, ik vertrouw het zaakje niet helemaal. Ik beweeg me echter vrolijk en alledaags op dun ijs. Ik ben geen Cioran. Ik ben niet eens een Becket. Helaas (lachend). Misschien ook godzijdank.”

Widmer groeide op met een moeder die zwaar depressief was. Hij schreef hierover in de roman “Der Geliebte der Mutter”, die in het Nederlands onder de titel “De geliefde van mijn moeder” verscheen (2001, uitg. Byblos. 159 blz.). Maar evenzo zo sterk aanwezig was intellectuele en zinnenprikkelende levendigheid. Hij werd groot te midden van kunstschilders en componisten, later ook schrijvers. “Sommige collega’s vertellen mij, dat ze op hun 21e voor de eerste keer Mozart hoorden. Ik dacht, ik heb dat niet goed gehoord. Ik kende toen ik 4 was als de vioolconcerten van Beethoven uit mijn hoofd.”

Ook de Tweede Wereldoorlog komt in het interview ter sprake. Widmer Urs woonde tegen de Duitse grens in een huis met politiek bewuste ouders. Zijn vader gaf hem direct na de oorlog, hij was acht jaar oud, foto’s van Auschwitz, zonder er iets bij te zeggen. “In mijn herinnering hoor ik geen verklaring. Het kan echter niet zo zijn, dat mijn vader er niets over had gezegd. Ik heb een tijd lang gedacht, hij heeft me dat te vroeg laten zien. Maar het was precies op het juiste moment, de shock komt sowieso een keertje.”

De  Zwitserse auteur vertelt ook over de literaire scene van toen en die van nu. Hij vindt het aanvangsniveau van de schrijvers vandaag de dag veel hoger liggen dan vroeger. “Het probleem ligt weer bij de top. Daar verlangen ze naar een Beethoven, een Schubert, een Mozart. Daarvan zijn er van oudsher maar weinig. Ook bij ons was een komeet zoals Peter Handke de uitzondering. Vandaag de dag lijkt het in mijn ogen toch op de klassieke tijd, waarin vijfhonderd componisten bijna zo goed componeren als Haydn. Maar echt bijna.”

Widmer vindt het wel eens irritant als er over “het Zwitserse” in zijn werk wordt gesproken. Hij vindt zichzelf vanzelfsprekend een deel van de Duitstalige literatuur, die in zijn ogen groots is. “Als ik als Zwitser word gezien, dan impliceert dat dat het op de grens is en ergens anders en het ons niet zo veel aangaat.”

Met Frisch en Dürrenmatt nam de Zwitserse literatuur ooit een centrale plaats in. Volgens Widmer was er in Duitsland direct na 1945 een literair vacuüm en schreef er niemand tot de jaren vijftig een bruikbaar boek. Pas met de “Blechtrommel” van Grass veranderde dat. “Grass was enorm belangrijk.” De Oostenrijkse literatuur wordt tot op de dag van vandaag als vanzelfsprekend tot de Duitstalige literatuur gerekend. “Dat waren ook nazi’s”, zegt Widmer. “ En die hebben dat in tegenstelling tot de Duitsers tot nu toe nog niet goed verwerkt.”

De druk vanwege een verschrikkelijke geschiedenis was in Zwitserland minder groot. Dat leidde tot een verdachte vorm van argeloosheid. “Daaronder heb ik ook geleden. Ik wilde ook niet liegen, niet doen alsof ik een slachtoffer van de oorlog was. Ik heb mijn eigen geschiedenis te vertellen. Ook het geluk is een thema, altijd te weinig. Geluk is er ook op aarde. Waarom zou ik dan niet van geluk spreken?”

Tot slot; ik vond op internet toevallig een uitgebreid, informatief en interessant Nederlandstalig artikel over Urs Widmer en zijn werk. De tekst staat op de website van “Tijdschrift Tsjip/Letteren” van de Digitale bibliotheek van de Nederlandse Letteren (dbnl).

Bron: Die Welt

Zojuist verschenen: Gesammelten Erzählungen

In het Nederlands verschenen:  De geliefde van mijn moeder + Het boek van mijn vader

Berlijn, stad van de creatieve ideeën

treinIn Berlijn ontstaan regelmatig nieuwe bedrijven, waar een creatief idee aan ten grondslag lag. Vandaag las ik in een Berlijnse krant het bericht over „Meine Spiegzeugkiste“ (Mijn speelgoedkist), een bedrijfje dat speelgoed voor kleine kinderen verhuurt. Bij de keuze van het speelgoed worden voor kleine kinderen belangrijke criteria zoals motoriek, logisch denken of creativiteit in acht genomen. Dat zegt de oprichter Florian Spathelf in de Berliner Morgenpost. In een speelgoedkist passen maximaal zes soorten speelgoed. Naargelang grootte kost een kist tussen de 14 en 34 euro per maand. De klant neemt dus een abonnement.

Het startkapitaal van € 100.000 was binnen elf dagen bereikt via het populaire crowdinvesting portaal voor start-ups Companisto. Een kijkje op die site laat zien dat iemand een unieke zoekmachine voor Twitter had uitgevonden en met behulp van ruim 800 investeerders € 250.000 ophaalde. De makers van “Better Taxi”, een taxi-app waarmee je eenvoudig via je smartphone een taxi bestelt, vonden 491 mensen bereid om te investeren en haalden een startkapitaal van € 100.000 op.

Op de website van het bedrijfje dat de speelgoedkisten verhuurt vindt de klant alle informatie over de producten en de werkwijze. Er staat bijvoorbeeld vermeld dat je het hoogwaardige speelgoed zo lang mag houden als je wilt, er is geen teruggavetermijn. Als de kinderen ouder worden en je wilt nieuw speelgoed, dan lever je de kist in en ontvang je een nieuwe kist naar keuze. Alle transportkosten zijn gratis. Het speelgoed wordt professioneel gereinigd, gedesinfecteerd en kiemvrij bezorgd.  Gaat er iets kapot of verloren, dan ontstaan er geen kosten. Het bedrijf in stadsdeel Prenzlauer Berg, dat in de zomer van 2011 van start ging, heeft nu vier vaste en drie vrije medewerkers in dienst.

Ook dat nog

Ratten experimenteren met mensen

ratVader en zoon rat zitten gemoedelijk aan een tafeltje in hun stamcafé.
„Vroeger werden we vaak ingezet voor onderzoek“, vertelt vader.
„Je overgrootvader was een laboratoriumrat. Hij werd niet oud. Weet je jongen, het was voor die ratten geen pretje om laboratoriumrat te zijn. Aan de andere kant hielpen ze de mensen bij belangrijke onderzoeken. Dat weer wel.”
„Dat weet ik, vader. Maar wat ik heb ontdekt bij de mensen, dat is toch ook van grote waarde?“
„Natuurlijk jongen, het laat zien dat een mensenlichaam niet alleen een lichaam is. Hoe kwam je ook alweer op het idee?
„Door die schrijver, hoe heet ie ook alweer?“
„Je bedoelt Anton Koolhaas, onze grote mensenvriend?”
“Nee, niet Anton, hoewel dat natuurlijk een bijzonder mens was. Hij had oog voor ons en ook voor de muizen, kippen, varkens, eenden, noem maar op. Nee, hij heette anders. Hij had net als Anton ook een boekje geschreven over kippen, varkens en andere dieren. Ik lees het nog wel eens, die mini-verhaaltjes met Jaap de brilslang en de koffiekat die in een theeplantage woonde.”
“Ah, Campert, Remco Campert.”
“Ja, die! Hij schreef ooit een kort verhaal over een bekende Nederlander die was uitgenodigd om op televisie iets over zijn ervaringen in Parijs te vertellen. Een hilarisch verhaal, waarbij de arme dichter Flip Toussaint wordt verwisseld met Philip Courant.”
“Uh..??”
“Ik ben nog niet klaar. Het idee ontstond door een behoorlijke omweg. Dus Flip Toussant bleek niet dé Frankrijk kenner Philip Courant te zijn. Bij mij knaagde het dagen lang, omdat ik niet precies wist wie Campert met Philip Courant bedoelde. Ik zag de man voor me, maar zonder naam. Tijdens een spelletje Mens erger je niet schoot de naam me opeens te binnen; Jan Brusse. Ik googelde en stuitte onverwacht op het onderwerp claustrofobie. Jan Brusse had hier namelijk, naast zijn boekjes over Parijs, een autobiografisch werkje aan gewijd.”
“Dat is wel een hele lange omweg!”
“Ja en nee. Zonder die omweg was ik nooit met het onderzoek begonnen. Maar goed. Uiteindelijk, na het onderzoek, realiseerde ik me dat de naam Philip Courant een knipoog naar Philip Frerics moest zijn. Goed dat ik die knipoog niet meteen zag, want anders had het onderzoek niet plaatsgevonden.”
“En die man, die Jan Brusse, die was claustrofo…wat zei je nou?”
“Claustrofobisch.”
“En hoe zie je dat dan?”
“Dat zie je niet.”
“Dat zie je niet? Maar hoe weet je het dan?”
“Onderzoek, pa. Ik wilde het weten. Dus namen we twee mensenlichamen waarvan eentje met hoogstwaarschijnlijk claustrofobie.”
“En toen?”
“Eerst hebben we een lifttest uitgevoerd. We zetten beide lichamen voor een geopende liftdeur en duwden ze voorzichtig naar binnen. Het ene lichaam liep rustig vooruit en er verscheen zelfs een lach op het gezicht. Het andere lichaam verstijfde, er kwamen kreten uit en we moesten het met drie andere ratten in bedwang houden. Toen hebben we dat lichaam met touw omwikkeld en in de lift gezet. Uit de mond van het vastgebonden lichaam kwam speeksel, alles trilde en schudde, niet normaal! Terwijl dat andere lichaam, ook van een mens, ontspannen in de spiegel van de liftruimte keek en de haren op het hoofd fatsoeneerde.”
“Twee dezelfde lichamen?”
“Ja, min of meer. Honderd procent identiek zijn die mensenlichamen nooit. We hebben alles wat we hebben waargenomen direct opgeschreven. Daarna kwam de tunnel.”
“De tunnel?”
“Ja, sommige ratten beweren dat mensenlichamen ook bij tunnels afwijkend gedrag vertonen. Dat wilden we natuurlijk wetenschappelijk bewijzen.”
“En?”
“Het was een tunnel van 200 meter, met een bocht. Dus je kon het einde niet zien. In het midden van de tunnel stond een mooi gedekte tafel met brandende kaarsen. Voor de rest was het vrij donker in de tunnel. Op die tafel stonden karaffen met water, flesjes frisdrank, glazen wijn en diverse soorten bier. Ook bevond zich op die tafel een grote zilveren schaal met heerlijke sandwiches erop, omringd door witte, porseleinen schalen met de lekkerste salades. We hadden onze testlichamen acht uur geen voeding meer gegeven, alleen zo nu en dan een glas water. Om het tafereel nog aantrekkelijker te maken stond links van de gedekte tafel een jonge vrouw in verleidelijke, sexy kleding. Aan de andere kant stond een aantrekkelijke jonge man in sexy kleding. Op vijftig meter afstand voor de tunnel lieten we de twee lichamen tegelijkertijd los.”
“Ze renden de tunnel in?”
“Ja, de man die eerder zijn haar fatsoeneerde rende de tunnel in, nam een grote slok bier, beet woest in een sandwich en sloeg zijn arm om de aantrekkelijke vrouw.”
“En het andere lichaam?”
“Dat lichaam liep aarzelend tien meter naar voren en bleef staan. Het lichaam schudde, wederom hoorden we krijsende geluiden en daarna lag het plat op de grond,”
“Dood?”
“Nee, niet dood. Maar het wilde niet meer. Raar hè? Je zou denken, twee vrijwel identieke mensenlichamen, die moeten toch hetzelfde reageren op die heerlijke vooruitzichten.”
“Dat is inderdaad raar. En, weten jullie al waarom die lichamen zich anders gedragen?
“We zijn nog in de onderzoeksfase. We vergelijken deze gegevens met het andere onderzoek, waarbij we twee lichamen een zwembad in duwden. Het ene lichaam vloog er bijna van zelf in, het andere lichaam gilde en wilde niet te water. Er moesten vijf ratten aan te pas komen om het in het water te krijgen. Eerlijk gezegd was dat geen leuke aanblik, maar goed, het diende de wetenschap. Het sputterende lichaam hebben we er wel weer snel uitgehaald.”
“Dus weer lichamen die verschillend reageren. Raar, vind je niet?”
“Daarom doen we ook dit soort onderzoeken, pa. Ratten zijn anders. We hebben de waterproef ook met oom Henk en tante Annie uitgevoerd.
“Met Henk en Annie?!!”
“Ja, in ondiep water natuurlijk. We hebben ze er gewoon in geduwd. Ze werden nat, voor de rest was er niets aan de hand. Niet te vergelijken met mensen!”
“Ik snap dat niet. Ze zien er toch allemaal min of meer hetzelfde uit. Waarom reageren ze dan anders?”
“Het onderzoekt loopt nog, pa. We denken dat het wezens zijn die nooit hetzelfde zijn, dat ze altijd veranderen. Het lichaam dat meermaals gewoon in het water sprong, weigerde namelijk opeens. Tja, probeer dat maar te verklaren.”
“Zoon, waar ben je aan begonnen? Ik zou zeggen, laat ze maar gewoon gaan, die mensen. Het lijkt erop dat ze onverklaarbaar zijn.”
“Ja, pap, dat vrezen wij ook. Het zijn onverklaarbare wezens die naar alle waarschijnlijkheid zelf niet weten waarom ze er zijn.”
“Ook dat nog!”
“Ja, pa, ook dat nog!”

« Oudere berichten Recent Entries »